TiNT 2019 WG 2 verslag


Verslag discussie werkgroep 2: “Termbepaling: Bestaat hier wel een Nederlandse term voor?”


Marcel Thelen (Vertaalacademie Maastricht en NL-Term)


Voor de discussie in werkgroep 2 (“Termbepaling: Bestaat hier wel een Nederlandse term voor?”) over wat een geschikt Nederlandstalig equivalent zou kunnen zijn voor de Engelstalige term climate resilient werden de volgende scenario’s meegegeven:


Scenario 1: Bestaat er al een Engelstalig equivalent in het Nederlands en is dat al ingeburgerd, neem dat dan over.


Scenario 2: Komt het concept waarnaar de Engelstalige term verwijst uit de eigen organisatie/het eigen bedrijf, kijk dan of er al een Nederlandstalige equivalente term voor in omloop is en gebruik die dan (secundaire neologie); bestaat er nog geen Nederlandstalige equivalente term voor, stel dan een Nederlandstalige equivalente term voor of handhaaf de Engelstalige term.


Scenario 3: Zijn het concept waarnaar de Engelstalige term verwijst en de Engelstalige term afkomstig van een andere organisatie/een ander bedrijf en zijn beide al ingeburgerd, handhaaf dan de bestaande Engelstalige term.


In de discussie werden diverse mogelijke Nederlandstalige equivalenten voorgesteld, zoals: klimaatweerbaar, klimaatbestendig, klimaatveerkrachtig, klimaatonafhankelijk, klimaatflexibel, klimaatvitaal, klimaatelastisch, klimaatcompatibel en klimaatadaptief. Hierbij werden allerlei argumenten voor en tegen een bepaald equivalent genoemd. Als algemene criteria hiervoor werden vorm en betekenis genoemd: is het tweede deel van de samenstelling (bijv. veerkrachtig) in het Nederlands qua vorm combineerbaar met klimaat (“bekt” de combinatie wel goed?) en komt de betekenis van het tweede deel van de Nederlandstalige samenstelling (bijv. onafhankelijk) overeen met die van het tweede deel van de Engelstalige samenstelling (resilient). Een andere betekenisvraag was of het uiteindelijke Nederlandstalige equivalent op zowel organische als anorganische zaken van toepassing is zoals in het Engels. Met andere woorden, bij betekenis gaat het erom of zowel de originele term als diens (mogelijke) equivalent betrekking hebben op hetzelfde concept.


Van de genoemde Nederlandstalige equivalenten voor climate resilient bleek klimaatbestendig favoriet te zijn, maar dit riep meteen de vraag op of dit wel zo verstandig is omdat klimaatbestendig in het Engels climate proof heeft als tegenhanger. Dit zou beteken dat het Nederlandstalige klimaatbestendig twee equivalenten zou hebben in het Engels: climate proof en climate resilient, suggererend dat het Engelse climate proof synoniem is met climate resilient, terwijl dat juist niet het geval is.


Een ander argument voor of tegen een Nederlandstalig equivalent dat werd genoemd is of en hoe de Engelstalige term in kwestie in andere talen is vertaald. Een vertaling in andere talen zou een aanwijzing kunnen zijn voor de keuze van een Nederlandstalige equivalent.


De gegeven scenario’s werden eerder ervaren als algemene strategieën voor het geval op het vlak van vorm en betekenis alles al is opgelost en duidelijk. Er bleek met name behoefte te zijn aan een gedetailleerdere methode. Voor een dergelijke methode is het allereerst nodig vast te stellen wie verantwoordelijk is voor een Nederlandstalig equivalent: een terminoloog, een lexicoloog/lexicograaf of een vertaler. Daarnaast is het van belang vast te stellen of en op welke wijze er verschillen zijn in methode, werkzaamheden en resultaten van de genoemde uitvoerders. Een vertaler bijvoorbeeld heeft een heel arsenaal van vertaaltechnieken of -procedures tot zijn beschikking, zoals bijvoorbeeld adaptatie, handhaving, parafrase, kernvertaling en benadering. Deze technieken past hij toe in zijn vertaling; zijn er duidelijke equivalenten, dan kiest hij daarvoor, zijn er geen equivalenten, dan past hij een van deze technieken toe om tot een vertaling te kunnen komen. Het resultaat zou de opmaat kunnen zijn voor de vorming en naderhand standaardisatie van een equivalente term. Bij dit alles werkt de vertaler nauw samen met een domeinspecialist of is dat zelf ook. Op deze wijze kan een vertaler een onmisbare bijdrage leveren aan het werk van een terminoloog die niet deze technieken tot zijn beschikking heeft, tenzij hij ook vertaler is. Een terminoloog zou zich eerder beperken tot de analyse van het concept waarop de bronterm betrekking heeft en de toepassing van een van de drie genoemde scenario’s. Leveren die geen soelaas op, dan is de hulp van een vertaler zeer welkom. Een lexicograaf/lexicoloog is in eerste instantie gericht op de zo precies mogelijke bepaling van de betekenis van een term en mogelijke betekenisnuances, maar niet op equivalenten, tenzij het om meertalige lexicografie/lexicologie gaat in het geval van vertaalwoordenboeken, maar dan nog zal hij zich vooral richten op algemene taal en niet op domeinspecialistische taal. Samenwerking tussen de drie types uitvoerder zou ideaal zijn.


De discussie in werkgroep 2 leverde geen eenduidig en unaniem Nederlandstalig equivalent op voor de Engelse term climate resilient en was eerder verkennend voor wat betreft de vraag wat te doen (de drie scenario’s) ingeval er geen Nederlandstalige term bestaat voor een Engelse term en hoe (argumenten en methode) dat aan te pakken.